|
Home Ik
J Pictures Blogs Links
WhenWhere |
Santa
Elena Is Verschrikkelijk
Santa Elena, Guatemala - 1998
Santa
Elena is verschrikkelijk. De straten liggen open, de zwartgeblakerde gebouwen
stammen nog van voor de Spaanse overheersing, de mensen zijn chagrijnig, er
zijn geen parken, bomen of zelfs maar een graspol, en het ergste, het regent er
continu. Santa Elena is niets meer dan een aanlegplaats op weg naar Tikal, de
Maya-ruines die bekend werden door de Fanta-commercial.
Iedereen
is plots je beste vriend als je zegt dat je naar Parque Nacional Tikal wilt
gaan, want iedereen heeft wel een auto en wil je er graag heen taxi'en. Men
kijkt wat vreemder op, als je zegt dat je terug naar Mexico wilt gaan. Een
zware reis, zegt iedereen aan wie ik vraag welke bus ik moet nemen. In een oude
Amerikaanse schoolbus zoek ik, wat lijkt, de beste plek op in de bus. Helemaal
voorin, direct achter de chauffeur, is een zee aan beenruimte. Niets lijkt een
ontspannen busrit in de weg te staan. Al snel ben ik uit de droom, want de bus
stopt op iets meer locaties, dan me lief is. Om de vijf minuten stappen er weer
mensen in. In the middle of nowhere staan mensen op deze bus te wachten. Al snel
zijn er alleen nog maar staanplaatsen vrij. Het dak blijft vooralsnog onbemand,
behalve de bagage, ook omdat de moesson weer een uitbarsting heeft.
Ergens
langs een afgelegen weggetje, in het midden van de jungle, stapt een gezin in.
Of beter: er stapt een moeder in, met twintig om haar heen ronddartelende en
krijsende kinderen. Als bagage hebben ze voldoende boodschappen voor het komend
jaar bij zich, inclusief twintig kippen die met de kop aan de pootjes
vastgebonden zijn en meer dood dan levend zijn, en een container aardappelen,
eieren en uien door elkaar heen. Aangezien de bus qua vloeroppervlak inmiddels
geheel bezet is, wordt deze vrachtlading pontificaal voor mijn neus
neergekwakt. Ik had mijn benen al ingetrokken. Nog meer van dit soort families
volgen. Bij iedere bocht of hobbel in de weg, schuift de vrachtlading aan
containers vervaarlijk heen en weer. Dat ik met handen en voeten tracht de
container met aardappels niet om te laten vallen, leidt slechts tot een mager
glimlachje. Het ongemak houdt uren aan en mijn broek en tas raken inmiddels
besmeurd met kippenkots en andere kipdelen, met bijbehorende geuren.
Plots
stopt de bus en hij is in no-time leeg. Ik wurm mijn hoofd nieuwsgierig door
een busraampje om te kijken wat er aan de hand is. Met mijn gebrekkig Spaans
tracht ik te achterhalen waar we zijn en waarom we zijn gestopt. "Bethel,
seņor! Frontera!". Warempel, de grens is bereikt. "Donde esta
Immigracion?", vraag ik aan de buschauffeur. Het antwoord is een wijzende vinger
op een boot. In een krakkemikkig schuitje, met een geīmproviseerd dakje vol
gaten, waar het dwars door heen regent, varen naar de overkant van het
riviertje. "No piranha's, seņor", verzekert de kapitein, een jongetje
van een jaar of tien met een grote zeemanspet op zijn hoofd.
Aan land
worden we begroet door mannen in groene legerpakken met geweren, die iets te
nadrukkelijk onze kant op wijzen. "Passaporta" brullen ze. Niemand in
de boot, en zeker niet de ongeveer tien toeristen, twijfelt en heeft binnen 10
seconden zijn paspoort ingeleverd. Ze gebaren dat we in de boot moeten blijven.
De soldaten verdwijnen een hutje in en we zien hen pas na een klein kwartiertje
terug. Ze wijzen met de loop van hun geweer op mij en maken dan de beweging met
de loop richting een steiger, of iets dat daarop moet lijken. Het zijn slechts
zes palen in het water met daarop drie houtjes getimmerd met een totale lengte
van een meter. De mannen worden nerveus, even verderop komt een volgend bootje
al aanvaren. Ze duwen me naar een huisje, waar met witte verf 'Immigracion
Mexico' op staat gekladderd. Na enige onverstaanbaar geharrewar krijg ik een
stempel in mijn paspoort, de mannen in het groen zijn dan al vertrokken.
"Donde esta autobus para Palenque", vraag
ik. Een
iets beter Spaans sprekende mede-bootganger neemt het over en krijgt te horen
dat de man van de immigratiedienst wel wat 'vrienden' heeft, die ons naar
Palenque kunnen brengen. Voor een vriendenprijsje uiteraard. Als ik een minibus
zie passeren, ren ik er meteen achteraan. Hij blijkt vol te zijn, maar de
chauffeur, belooft dat hij een tweede minibusje zal laten komen, dat ons over
een kwartiertje zal komen oppikken. De wonderen zijn de wereld nog niet uit:
het busje komt inderdaad en brengt ons zonder botsingen naar Palenque.