|
Home Ik
J Pictures Blogs Links
WhenWhere |
|
Give
Me Your Hand 'Give me your hand". Als het
Tibetaanse jongetje Engels had kunnen spreken, had hij iets dergelijks
gezegd. Nu zegt hij het in zijn eigen taal, maar zijn naar mij uitgestoken
hand is voldoende om aan mij duidelijk te maken, dat hij mij wil helpen om de
koude, snelstromende rivier over te steken. Xiahe is een Chinees dorpje met een overheersende
Tibetaanse cultuur. Wie de Tibetaanse cultuur wil proeven, maar Lhasa, de
hoofdstad van Tibet, te ver weg vindt, gaat naar Xiahe. Het dorp is voor
Tibetanen een bedevaartsoord, het belangrijkste na Lhasa. Xiahe ligt in
hartje China, in de provincie Gansu, op ca. 3500 meter. De lucht is er ijl. Xiahe is een oase van rust in vergelijking
met de grote Chinese metropolen, met de schoonste lucht die ik ooit
ingeademd. De rode konen, nog kleinere ogen, paardenstaarten en kleurrijke
kleding van de bevolking doen je denken dat je in een ander land bent: Tibet.
Xiahe is door het toerisme ontdekt en de lokale bevolking maakt daar dankbaar
gebruik van. Hotelletjes en touroperators schieten als paddestoelen uit
grond. Hierdoor vervaagt de cultuur. Ik zie monniken in een restaurant een
biertje drinken en op gympen lopen, spaghetti bolognese wordt in diverse
restaurants geserveerd en de gebeden in de kloosters lijken meer op een
theatervoorstelling, waar de toeristen gewoon bij mogen zitten. Gelukkig biedt Xiahe dan cultuur: natuur.
Ik huur een fiets om de omringende bergen in te gaan, waar het leven in de
kleine dorpjes nog onverstoord is. Alhoewel. "Horse sir?" "No,
thank you!" Een opdringere paardenverhuurder probeert mij ervan te overtuigen
bij hem een paard te huren, terwijl ik nog nooit op een paard gezeten heb en
doodsangsten uitsta bij de gedachte dat het paard op hol zou kunnen gaan.
"Horse sir?" "No, thank you!" Deze man komt uit de stad
en probeert een slaatje uit toeristen te slaan, die hier eigenlijk voor hun
rust komen. "Horse sir?" "No!". Ik zie al fietsend een totempaal, zo lijkt,
op de top van een heuvelrug. Ik parkeer mijn fiets en besluit die paal eens
van wat dichterbij te bekijken. Lopend door het doorweekte gras passeer ik
een aantal landbouwer, dat even verbaasd opkijkt, een glimlachen toont en een
glimlach van mij terugontvangt, om vervolgens weer door te gaan met de
dagelijkse werkzaamheden. Een rivier blokkeert mijn pad. Hij is te
breed om over te steken en ik besluit een smaller punt op te zoeken. Na een
half uur denk ik zo'n punt gevonden te hebben maar hier stroomt de rivier ook
een stuk sneller. Een paar jongetjes kijkt verbaasd op als ik met mijn
ontblote voeten het water op zijn temperatuur controleer. "Can you help
me?", roep ik. Geen reactie. Ik pak mijn Mandarijns-Engelse
woordenboekje en zoek 'Help' op, maar waarschijnlijk spreken ze alleen
Tibetaans. Twee jongetjes komen dwars door de rivier
op mij af, tot hun knieën in het water en met een grote glimlach op hun
roodgekoonde gezicht. Niet ouder dan tien, twaalf zullen ze zijn. Een van de
twee jongetjes steekt zijn hand naar me uit. Ik geef hem de mijne. Met een
ruk trekt hij me de stroom in. Ik voel duizenden messen door mijn voeten en
enkels: het water is vrieskoud. Het jongetje blijft me stevig vasthouden. Al
voor me uitlopend zoekt hij de goede plekjes uit, daar waar geen stenen zijn
om over uit te glijden. De overkant van de rivier lijkt steeds verder weg. Ik
voel de pijn van de kou tot in mijn neus, de jongetjes lijken nergens last
van te hebben. Een hele lange minuut duurt de oversteek. Ik zeg 'Xiexie', wat
'dank je wel' betekent. De jongetjes glimlachen. Ik wil in mijn tas een pen
pakken, waar ze hier dol op zijn. 'Yupe, yupe', heb ik al tientallen kinderen
eerder vandaag nog tegen mij horen roepen, "pen, pen". Maar deze
kinderen hebben liever mijn haast lege waterfles, die ze uit mijn broekzak
zien steken. Ze rennen er schaterend mee weg. Zonder fles komen ze terug en
ik wijs op de totempaal en klop op mijn borst.: ik ga naar de totempaal ga
klimmen, maak ik zo duidelijk. Ze glimlachen en rennen weer weg. De heuvel doemt voor me op en de rotsen
steken hier en daar door het gras. Ze bieden me een welkom houvast: de heuvel
gaat hier steil omhoog. Na een half uur klimmen bereik ik de top. De
totempaal blijkt een paal te zijn waar omheen doeken met religieuze
Tibetaanse teksten zijn gebonden. Inmiddels wordt de lucht aardedonker. Een
flinke bui is op komst. Een zwerm adelaars cirkelt boven mijn hoofd. Ik hoor
het gejank van zwerfhonden, veel hebben hondsdolheid, heb ik me laten
vertellen. Ik zie ze niet, maar ik hoor ze wel. Tijd om te gaan dus. De
jongetjes zijn inmiddels verdwenen, dus de rivier zal ik nu zelf over moeten
steken. Zodra ik bij de fietsen ben, komt de paardenverhuurder op me af.
"Horse sir?" Ik kijk hem aan en wijs op de aardedonkere lucht, ik
stap op mijn fiets. Ik fiets zo hard als ik kan om op tijd binnen te zijn.
Helaas, de eerste druppels en de daarop volgende liters, zorgen ervoor dat ik
doorweekt mijn afgelegen hotelletje bereik. |